Naar de inhoudsopgave

Hemel en Aarde

Hoe het Christendom in China ontvangen is

een samenvatting door Dirk Roorda, april 1997

Tenslotte nog dit: Mijn zoon, wees gewaarschuwd: veel boeken schrijven is een werk zonder eind, en veel studeren put een mens uit

Prediker 12:12

Met gesloten deur en levend in ledigheid, ben ik het hele jaar door in het gezelschap van mijn muffe banden; een oude vriend ontmoetend en in gesprek rakend zetten we de discussie voort tot diep in de nacht

volkswijsheid

Dank

Dank

aan va en moe en de familie die leven en geloof doorgaven

aan de Gereformeerde Missiologische Opleiding, die zei: "We zouden graag een scriptie van je zien"

aan Hannie Selles, want in haar huis kon ik zijn

aan alle vrienden die me geholpen hebben

aan de Schepper van Hemel en Aarde

Ten geleide

China spreekt tot de verbeelding, want het is ver en vreemd, groot en ontoegankelijk, vol mensen en unheimisch, oud en revolutionair, eerbiedwaardig en heidens. Er zijn talloze boeken over China geschreven, dus wat zal ik eraan toevoegen? Niets, behalve een persoonlijke mix van citaten, inzichten, kennis, overtuigingen en waardeoordelen. Kort, op de telegramstijl af. Ofwel: op de Chinese manier. Verwacht geen oorspronkelijkheid in deze scriptie, ook geen wetenschappelijke strengheid. Mijn bronnen heb ik aan het eind op een rijtje gezet. Zoals China geen object is om te analyseren, maar eerder een levend organisme, zo is ook het beeld van China in mijn hoofd een groeiende tijger: af en toe gaat het op roof uit, dan weer hier, dan weer daar, en het neemt alleen waar het zin in heeft. Zo wil ik China leren kennen: een levende werkelijkheid, subjectief waargenomen door een levend wezen. Het is onvermijdelijk dat die zijn eigen werkelijkheid meeneemt. Dat is geen handicap, maar een voordeel. Daar hebben we ervaringen voor, om ze te gebruiken voor ontmoetingen als deze.

Kijk, ik zou graag een degelijke scriptie over het onderhavige onderwerp schrijven. Maar daartoe ben ik niet bevoegd, ik ben er nooit geweest. De enige waarde die dit schrijfsel zou kunnen hebben, is om een Chinaganger alert te maken, hem of haar op te laden met verbanden, die de ervaringen in China zouden kunnen verrijken. Ik meen wel dat ik een paar bronnen van uitzonderlijke kwaliteit gevonden heb. Als er toch kwaliteit uit deze scriptie naar voren springt, dan is dat toe te schrijven aan de kwaliteit van die bronnen zelf.

Waar het in deze scriptie uiteindelijk om gaat, is een bezinning op een ontmoeting. De ontmoeting tussen twee culturen die op zulk een unieke wijze van elkaar verschillen. Vanuit het westen werd het Christendom als de enig ware godsdienst naar China gebracht. Maar de Chinezen waren helemaal niet ïgeïnteresseerd in ultieme waarheden. En godsdienst was iets waar je verstandig mee moest omgaan, al naar gelang behoefte, en die behoefte was niet geweldig groot.

Juist in de periode van het eerste uitgebreide contact, omstreeks 1600, belichaamd bij uitstek door Matteo Ricci, zien we deze verschillen de kwaliteit van de ontmoeting bepalen.

Vanwege deze interesse, zal ik bij het vertellen van de kerkgeschiedenis van China, me niet veel met de moderne tijd bezighouden.

Misschien vergaat het u bij het lezen van deze scriptie zoals het mij verging bij het lezen van de boeken: het aanvankelijke gevoel van vreemdheid en bizarheid, waarmee ik China tegemoettrad, heeft gaandeweg plaatsgemaakt voor een feest der herkenning, of, wat nuchterder, een herkenning op punten.

In hedendaagse termen: je zou de toenmalige Christenen in China als filosofische fundamentalisten kunnen karakteriseren, en de Chinezen als vermoeide postmodernen, wat ze eigenlijk al wel zo'n duizend jaar waren, zeker in religieus opzicht.

Terug naar het begin van sectie Ten geleide

Naar de inhoudsopgave

Verantwoording

Voor het geschiedenis deel heb ik geput uit Neill en Latourette. Het meeste wat ik opgeschreven heb, zijn citaten, op de vertaalslag van Engels naar Nederlands na. Bij buitengewoon detailrijke passages zie je onmiskenbaar de hand van Latourette, en het is ook geen toeval dat de details na 1927 minder worden, want tot zover gaat zijn boek.

Voor Chinese cultuur heb ik geput uit de overvloedigheid van Lin Yutang, een kind van twee culturen, de Amerikaanse en de Chinese, een man die Christendom en heidendom van binnenuit kent. Als je af en toe opmerkingen tegenkomt over Chinezen, waarbij je de wenkbrauwen fronst en denkt: kun je dat zo maar zeggen? dan zijn ze van hem.

De spreuken ter rechterzijde komen alle uit China, en ik heb ze gevonden in The Wisdom of China, een bloemlezing uit de Chinese literatuur door Lin Yutang.

Omdat Lin Yutang de details over het ontstaan van het Confucianisme min of meer bekend veronderstelt, heb ik daarover Latourette erop nageslagen. De appendix met dynastieën komt regelrecht uit Lin Yutang.

Voor Chinese reacties op het Christendom heb ik geput uit het buitengewoon prikkelende boek van Jaques Gernet. Iemand die in dat onderwerp echt geïnteresseerd is, raad ik aan het boek zelf te lezen, en geen tijd te verspillen aan deze scriptie.

Beschouw de uitspraken in deze pagina's niet als absolute waarheden. Het is onthullend om te zien hoe dezelfde gebeurtenissen in een totaal verschillend licht komen te staan bij de verschillende schrijvers die ik aanhaal. Ik zelf gebruik al dit materiaal als een uitgewerkt vóóroordeel, in de hoop ooit nog eens tot een oordeel te kunnen komen.

Terug naar het begin van sectie Verantwoording

Naar de inhoudsopgave

Inhoudsopgave

Ten geleide

Verantwoording

Inhoudsopgave

1.  Geschiedenis van het Christendom in China

1.1.  Nestorianen (635-845)

1.2.  Franciscanen (1294-1369)

1.3.  Jezuïeten (1600-1800)

1.3.1.  De begintijd: Matteo Ricci

1.3.2.  Voortzetting: Schall von Bell en Ferdinand Verbiest

1.3.3.  Conflicten met Rome

1.3.4.  De nadagen

1.4.  Protestanten (1800-1900)

1.4.1.  De pioniers

1.4.1.1.  Robert Morrison

1.4.1.2.  William Burns

1.4.1.3.  Karl F.A. Gützlaff

1.4.2.  Hudson Taylor en de China Inland Mission (1860-1900)

1.4.2.1.  Principes van de China Inland Mission

1.4.2.2.  Resultaten

1.5.  Oorlogen en opstanden (1830-1860)

1.5.1.  De Brits-Chinese opium oorlog (1839-1844)

1.5.1.1.  Oorzaak en aard van de oorlog

1.5.1.2.  De verdragen van 1842-1844

1.5.2.  De Brits-Frans-Chinese oorlog (1856-1860)

1.5.2.1.  Oorzaak en aard van de oorlog

1.5.2.2.  De verdragen van 1858

1.5.2.3.  Moeizame ratificatie

1.5.2.4.  Gevolgen voor de zending

1.5.2.5.  Zending en politiek

1.5.2.6.  De waarneming van Vincent Lebbe

1.5.3.  De T'ai P'ing opstand (1852-1864)

1.5.3.1.  De toestand in China

1.5.3.2.  De hoofdrolspelers

1.5.3.3.  Kristallisatie

1.5.3.4.  Het woeden van de opstand

1.5.3.5.  Het falen van de opstand

1.5.3.6.  De houding van de buitenstaanders

1.5.3.7.  Verhouding tussen T'ai P'ing en Christendom

1.5.3.8.  Effect op de zending

1.6.  Stuiptrekkingen van het keizerrijk (1900-1914)

1.6.1.  China tegen 1900

1.6.2.  De Boxer troebelen

1.6.2.1.  De verliezen

1.6.2.2.  Herstelbetalingen

1.6.2.3.  Tien vette jaren (1900-1910)

1.7.  Postimperiaal (1914-)

1.7.1.  De republiek (1914-1937)

1.7.2.  De Chinees-Japanse oorlog (1937-1945)

1.7.3.  De Volksrepubliek (1949-heden)

1.8.  Specifieke thema's

1.8.1.  Bijbelvertaling

1.8.1.1.  Johannes van Monte Corvino (1305)

1.8.1.2.  De Rooms-Katholieken

1.8.1.3.  De Protestanten

1.8.1.4.  Joshua Marshman (1811-1823)

1.8.1.5.  Robert Morrison (1813-1819)

1.8.1.6.  Josiah Goddard (1850)

1.8.1.7.  Het Brits-Amerikaanse bijbelvertaalproject (1843-1853)

1.8.1.8.  De Noordelijke Baptisten (1853)

1.8.1.9.  Het Mandarijn

1.8.1.9.1.  Porties in het Mandarijn door particulieren (1850-1897)

1.8.1.9.2.  De hele bijbel in het Mandarijn (1860-1875)

1.8.1.9.3.  Schereschewsky (1859-1906)

1.8.1.9.4.  Mandarijnvertalingen op last van genootschappen (1875-1900)

1.8.1.9.5.  Kwaliteit

1.8.1.10.  De spreektalen

1.8.1.10.1.  Alfabetisering

1.8.1.10.2.  Porties van de bijbel in de spreektalen (1850-1897)

1.8.1.11.  De naam voor God

1.8.1.12.  Bijbelvertaling na 1900

1.8.1.12.1.  Doorgaand werk in de spreektalen

1.8.1.12.2.  Niet-Chinese talen

1.8.1.12.3.  Belangstelling

1.8.2.  Culturele adaptatie en zelfstandigheid

1.8.2.1.  Drie-Zelf

1.8.2.2.  Protestant, 1850-1900

1.8.2.2.1.  Financiële steun

1.8.2.2.2.  Leiding

1.8.2.2.3.  Evangelisatie

1.8.2.3.  Protestant, 1900-1914

1.8.2.3.1.  Self-support

1.8.2.3.2.  Culturele aanpassing

1.8.2.4.  Protestant, 1914-1927

1.8.2.4.1.  Verzelfstandiging

1.8.2.4.2.  Politieke invloed

1.8.2.4.3.  De laatste duw

2.  Chinese cultuur

2.1.  Familie

2.1.1.  Het familiesysteem

2.1.2.  Sociale filosofie

2.1.3.  De vijf kardinale relaties

2.1.4.  Verticale relaties: vader--zoon

2.1.4.1.  Het vijfde gebod

2.1.4.2.  Maatschappij en Godsbeeld

2.1.5.  Model voor de hele samenleving

2.2.  Samenleving

2.2.1.  Group en Grid

2.2.1.1.  Toegepast op China

2.2.1.2.  Godsdienst en sociologie

2.2.2.  Mandarijnen

2.3.  Taal en literatuur

2.3.1.  Taal en schrift

2.3.1.1.  De vorm van het Chinees

2.3.1.2.  Bondigheid

2.3.1.3.  Abstractie

2.3.1.4.  De rol van syntax, polariteit

2.3.2.  Literaire stijl

2.3.2.1.  Knechting

2.3.3.  Literaire inhoud

2.3.4.  Literatuur en politiek

2.4.  Poëzie en schilderkunst

2.4.1.  Poëzie

2.4.2.  Schilderkunst

2.4.3.  Isomorfie tussen Chinese poëzie en schilderkunst

2.4.4.  Chinese kunst en Christelijk geloof

2.5.  Levensbeschouwing en temperament

2.5.1.  Geduld, onverschilligheid en ouwe snoepers

2.5.2.  Tevredenheid

2.5.3.  Conservatisme en sociale stabiliteit

2.5.4.  Logica

2.5.4.1.  Ch'ingli en het relationeel waarheidsbegrip

2.5.5.  Het gulden midden

2.5.6.  Intuïtie, geneeskunst, en bijgeloof

2.6.  Religie

2.6.1.  Werkdefinitie van religie

2.6.1.1.  Kunst

2.6.1.2.  Familie

2.6.2.  Humanisme

2.6.2.1.  Leer en leven

2.6.2.2.  En de grote levensvragen dan?

2.6.2.3.  En toch zit er religie in!

2.6.3.  Confucianisme

2.6.3.1.  Confucius zelf

2.6.3.2.  Basis Principes

2.6.3.3.  Confucius versus religie

2.6.3.4.  Confucianisme door de tijden heen

2.6.3.5.  Confucianisme en de samenleving

2.6.4.  Taoïsme

2.6.4.1.  Laotse

2.6.4.2.  Aard

2.6.4.3.  Tao

2.6.4.4.  Ontwikkeling van het Taoïsme

2.6.4.5.  Kenmerken van het Taoïsme

2.6.5.  Boeddhisme

2.6.5.1.  Ontstaan

2.6.5.2.  Inhoud

2.6.5.3.  Geschiedenis

2.6.5.4.  Het Boeddhisme in China

2.6.6.  Smeltkroes China

2.6.6.1.  Confucianisme versus Taoïsme

2.6.6.2.  Het Boeddhisme in samenwerking met China

2.6.6.3.  Invloed van het Boeddhisme op China

2.6.6.4.  Boeddhisme beïnvloedt Confucianisme

2.6.6.5.  Confucianisme beïnvloedt Boeddhisme

2.6.6.6.  Boeddhisme in het moderne China

3.  Chinese reacties op het Christendom

3.1.  Ricci's methode nader bezien

3.1.1.  De methode van continuïteit

3.1.1.1.  De grenzen van de methode

3.1.1.2.  De aard van Ricci's aanpassing

3.1.1.2.1.  Uitgangssituatie

3.1.1.2.2.  Strategie

3.1.1.3.  Uitwerking

3.1.1.3.1.  Laag aanzien van mannen van religie

3.1.1.3.2.  De omweg van geleerde

3.1.1.4.  Inhoudelijke kanten van de aanpassing

3.1.2.  Het aanvankelijke succes

3.1.3.  Kanttekeningen bij het succes

3.1.3.1.  Ricci's eigen inzichten

3.1.3.2.  Geloof en wetenschap, historie

3.1.3.3.  God als persoon

3.1.3.4.  Wie kadert wie in?

3.1.3.5.  Het gewone volk

3.1.3.6.  Preoccupatie met bekering

3.1.3.7.  Er komt licht in de zaak

3.1.4.  De onvermijdelijkheid en onwenselijkheid van aanpassing

3.1.5.  De rol van de politiek

3.1.5.1.  Het keizerlijk mandaat

3.1.5.2.  Controle over de sekten

3.1.5.2.1.  Een voorbeeld

3.1.5.3.  Het Christendom valt erbuiten

3.1.5.4.  Wat de Chinese Christenen ervan dachten

3.1.5.5.  Zonder precedenten

3.1.5.6.  Oneigenlijke reclame

3.2.  Een vergelijking tussen Christendom en Confucianisme

3.2.1.  Filosofische onderlaag

3.2.1.1.  Top-down en Bottom-up

3.2.1.2.  Analytisch en Synthetisch

3.2.1.3.  Transcendent en Immanent

3.2.1.4.  Dualisme en Monisme, het Negatieve

3.2.1.5.  Statisch en Dynamisch

3.2.1.6.  Functioneel-Ontologisch

3.2.1.6.1.  Symbool en betekenis

3.2.1.6.2.  Verband met analytisch en synthetisch

3.2.1.6.3.  Synthetisch denken en beweging

3.2.1.6.4.  Synthetisch denken en groei

3.2.1.6.5.  De os van Ricci

3.2.1.7.  De vergelijking

3.2.1.7.1.  Bottom-up versus top-down stelling:

3.2.1.8.  Illustraties bij de vergelijking

3.2.1.8.1.  (i,iv,v) wie dien je?

3.2.1.8.2.  (ii) waar ben je op gericht?

3.2.1.8.3.  (iii) wat is je visie op het heelal?

3.2.1.8.4.  (vi) waar komt de ethiek en het geweten vandaan

3.2.1.8.5.  Samenvattend

3.2.1.9.  Nabeschouwing en verdere vragen

3.2.1.10.  In een schematisch profiel

3.2.2.  Lijst van misverstanden

3.2.2.1.  De waarheid

3.2.2.1.1.  Pragmatische waarheid

3.2.2.1.2.  Theoretische waarheid

3.2.2.1.3.  Waarheid over het hogere

3.2.2.1.4.  Goochelen met waarheidselementen

3.2.2.2.  Het Opperwezen en de Hemel

3.2.2.2.1.  Betekenis en symbool

3.2.2.2.2.  Terug naar Ricci

3.2.2.2.3.  Avondmaalsleer en een letterlijke bijbel

3.2.2.2.4.  Waardering

3.2.2.3.  Schepping of evolutie

3.2.2.3.1.  Statische versus dynamische begrippenkaders

3.2.2.3.2.  Intentionele daad versus spontaan proces

3.2.2.4.  Immanentie en Transcendentie

3.2.2.4.1.  Misverstanden bijgevolg

3.2.2.5.  Waardering

3.2.2.5.1.  Over immanentie

3.2.2.5.2.  Over voorouderverering

3.2.2.6.  Godskennis

3.2.2.6.1.  Waar is God?

3.2.2.7.  Goden en geesten

3.2.2.7.1.  Allemaal agnosten

3.2.2.7.2.  Godenbeelden

3.2.2.8.  Ethiek

3.2.2.8.1.  Startpunt van de ethiek

3.2.2.8.2.  Overeenkomst in uitwerking

3.2.2.8.3.  Verschil in perspectief

3.2.2.8.4.  Natuurlijk goed versus moreel goed

3.2.2.9.  Lichaam en ziel, Leven na dit leven

3.2.2.9.1.  Woorden voor ziel

3.2.2.9.2.  Lichaam-ziel, dualisme

3.2.2.9.3.  Straf en beloning

3.2.2.10.  De waardering voor het leven, Ascetisme

3.2.2.10.1.  Extreem ascetisme bij bekeerlingen

3.2.2.11.  Jezus

3.2.2.12.  Erfzonde en goddelijke volmaaktheid

3.2.2.13.  Het dopen van kleine kinderen

3.2.3.  Taal en denken

3.2.3.1.  De Whorf-Sapir hypothese

3.2.3.2.  Het werkwoord "zijn" en het westerse denken

3.2.3.2.1.  Wet van behoud van abstractie

3.2.3.2.2.  Het Chinese taaleigen

3.2.3.3.  Verandering als bouwsteen

3.2.3.4.  Wederzijdse indruk

4.  Mijmeren, peinzen, broeden

4.1.  Christelijke eisen aan de filosofie

4.2.  Elementen van een Christelijke levensbeschouwing

4.3.  Helpt dit voor China?

4.4.  Leren van China

4.5.  Over hulp van God

4.6.  Rooms-Katholiek versus Protestant

4.7.  Wat is waarheid?

4.8.  Is zending überhaupt mogelijk?

4.9.  Over bekeringsijver

4.10.  Waardering

Uitleiding

Chinese dynastieën

Noten

Bibliografie

Terug naar het begin van sectie Inhoudsopgave

Naar de inhoudsopgave

1.  Geschiedenis van het Christendom in China

1.1.  Nestorianen (635-845)

Het Christendom in China is even oud als het Christendom in Nederland. De eerste Christenen in China waren Nestorianen. Zij leerden iets over de twee naturen van Jezus dat door de kerk in het westen niet geaccepteerd kon worden. Ze erkenden de goddelijke en menselijke natuur van Jezus, maar ze gingen de mist in bij het beschrijven hoe die zich tot elkaar verhielden. Hoe precies, weet ik niet, het was niet zo ernstig als met Arius, die het bestaan van de goddelijke natuur erkende. Dit soort geloofswaarheden zat bovendien vervat in veel politieke strijd, dus het is niet raadzaam om vanuit deze tijd mensen uit die tijd te veroordelen om hun positiekeuze in dezen. Grote groepen Christenen in het oosten raakten mede hierdoor ver verwijderd van de westerse hoofdstroom.

Het belangrijkste dat in China van hun aanwezigheid getuigt is een monument dat in 1623 ontdekt is in de plaats Hsianfu.

Verdere sporen zijn: een hymne op de Drieëenheid, het Chinese Gloria in Excelsis Deo, een lijst met Chinese Christelijke boeken, die gevonden is in de grotten van Tun-Hang in 1908, verwijzingen in keizerlijke edicten in 683, 745, en 845 naar het Christendom.

Volgens het monument kwam in 635 (na Christus) een zekere A-lo-pên bij de grote keizer T'ai Tsung, en bracht hij de stralende religie van Ta-ch'in, ofwel Syrië. De keizer bestudeerde het, en het beviel hem, en hij gaf opdracht het uit te dragen. Er kwam tegenstand van de Boeddhisten. Ergens vóór 823 werd een zekere metropolitaan, David, gewijd voor China.

Het eindigde allemaal in 845 met een keizerlijk decreet. Keizer Wu Tsung had het niet begrepen op kloosters, vooral niet Boeddhistische. Het decreet luidde ongeveer als volgt: wat betreft de vreemde monniken die hier komen om de Wet die in hun koninkrijk heerst hier bekend te maken, er zijn er ongeveer 3000, zowel uit Ta-ch'in als Mu-hu-po. Mijn bevel is dat ze terugkeren naar de wereld, zodat de gebruiken van het keizerrijk onvermengd blijven. Helaas! Al te lang heeft men geaarzeld om alles weer bij het oude te brengen. Geen uitstel meer. De zaak is uitgemaakt en klaar: dit bevel moet onverwijld ten uitvoer gebracht worden.

In 987 rapporteerde een monnik die op onderzoek uit was gestuurd naar China dat hij geen sporen van Christendom had aangetroffen.

Terug naar het begin van sectie Nestorianen (635-845)

Naar de inhoudsopgave

1.2.  Franciscanen (1294-1369)

Door de reizen van Marco Polo raakte het keizerlijke hof geïnteresseerd in het Christendom. In die tijd heersten de Mongolen in heel China, en de Mongoolse keizer Kublai Khan zetelde in Kanbalik, zoals Peking toen genoemd werd. In 1266 bracht Marco Polo een bericht over van deze Kublai Khan naar de Paus, waarin de keizer verzocht om geleerde mannen te sturen, toegewijd aan het Christelijk geloof, om aan de geleerden in zijn gebiedsdelen met goede en eerlijke redenen te bewijzen dat het geloof beleden door Christenen hoogwaardiger is en gebaseerd op vanzelfsprekender waarheid dan enig ander geloof.

Pas twintig jaar later werden twee mannen gestuurd, door paus Nicolaas IV. Eén van hen, Johannes van Monte Corvino, een Franciscaan, bereikte Kanbalik in 1296. Hij werd warm onthaald door Timur, Kublai Khan's opvolger. Volgens zijn beweringen had hij in tien jaar later 6000 mensen gedoopt en 150 jongens Grieks en Latijn onderwezen, en het Nieuwe Testament en de Psalmen in het Ongut vertaald. Hij ondervond tegenstand van heidenen, Nestorianen en sommige Europese reizigers.

Toen Paus Clemens V dit hoorde zond hij geestelijken om Johannes tot aartsbisschop te wijden. Dit gebeurde in 1308. In 1313 werd een basis in Zaitun geopend. Johannes stierf in 1328 en werd in China begraven met eerbetoon van Christen en heiden. Een nieuwe delegatie uit het westen arriveerde in 1335, onder leiding van Johannes van Marignolli, alweer in antwoord op verzoek van de Khan, Timur. Zo verliep volgens Johannes van Marignolli de ontmoeting: Toen de grote Khan ons zag, verheugde hij zich zeer, en bewees ons zeer veel eer. Het was in vol ornaat dat ik me in zijn tegenwoordigheid begaf, met een fraai kruis dat voor me uit gedragen werd, en kandelaars en wierook, terwijl het Credo in Unum Deum gezongen werd in zin prachtige woonplaats. Na het gezang diende ik hem een volledige benedictie toe, die hij in alle nederigheid aanvaardde.

Johannes verliet China in 1346. De Mongoolse heerschappij begon een aflopende zaak te worden, en naar men zegt is de laatste Latijnse bisschop van Zaitun, Jacobus van Florence, de marteldood gestorven toen de Chinezen Zaitun heroverden op de Mongolen in 1362.

Terug naar het begin van sectie Franciscanen (1294-1369)

Naar de inhoudsopgave

1.3.  Jezuïeten (1600-1800)

China trachtte de eeuwen te leven in Splendid Isolation. Zoals ze het zelf uitdrukten: de deuren zijn gesloten, behalve voor leden van onderworpen rassen die schatting komen betalen, voor Mohammedaanse kooplieden die handelen onder het mom van schatting te betalen, en voor vreemdelingen die in het Rijk zich willen vestigen omdat ze daartoe aangelokt zijn door de goede reputatie van de Chinese deugden.

Desondanks waren de Portugezen er in 1557 in geslaagd zich op een stukje grond ter grootte van een postzegel te installeren in Macao, aan de monding van de Kanton rivier. Dit is Portugees grondgebied tot op de huidige dag.

1.3.1.  De begintijd: Matteo Ricci

In 1579 kwam Valignano als bezoeker naar China, om te kijken hoe het evangelie er gebracht zou kunnen worden. De priesters in Macao zeiden dat het onmogelijk was een Chinees te bekeren. Maar Valignano zocht bij zich een dertigjare man, Matteo Ricci. Zijn lange arbeid in China zou je kunnen omschrijven als cultureel pionierswerk. Veel in deze scriptie gaat over hem, mede vanwege zijn omstreden werkwijze en de aard van de problemen die hij te lijf ging.

Ricci's eerste taak was om in Macao de Chinese taal en cultuur te leren. In 1583 kregen Ricci en een metgezel toestemming zich te vestigen in de provinciehoofdstad Chaoch'ing. Geleidelijk aan klom Ricci op over de lange weg naar Peking, en werd in 1600 ontvangen aan het hof.

Zijn rede daar laat zien dat hij zich aansloot bij het Chinese verwachtingspatroon, dat in vreemdelingen mensen zag die vanuit de barbarij eer kwamen bewijzen aan de Zoon des Hemels, de Keizer van het Rijk van het Midden:

Li Ma-ton, dienaar van Uwe Majesteit, gekomen uit het Westen, richt zich tot Uwe Majesteit met eerbied, om hem geschenken uit zijn land aan te bieden. De dienaar van Uwe Majesteit komt uit een ver land dat nog nooit geschenken met het Middenrijk heeft uitgewisseld. Niettegenstaande de afstand heb ik de roep gehoord die uitgaat van het opmerkelijke onderwijs en de fraaie instituten waarmee het keizerlijk hof al zijn volkeren mee bedeeld heeft. Het was mijn wens deelgenoot van deze voordelen te worden, en mijn leven te leven als een van Uwe Majesteits onderdanen, met als hoop om van bescheiden nut te kunnen zijn als tegenprestatie.

Ricci oogstte veel bewondering als klokkenexpert, wiskundige, sterrekundige. Hij kwam in de gunst van de keizer en kon zodoende 10 jaar in de hoofdstad blijven. Daar ontstond de kern van een Christelijke kerk en een Chinese Christelijke literatuur.

De problemen waar hij tegen aanliep waren immens. De Chinezen hadden een oude beschaving, en ze wisten het. Bovendien was er, zou je kunnen zeggen, een geweldig verschil in temperament tussen de jonge, onbesuisde, radicaal denkende en handelende Westerse beschaving enerzijds, en de oude, bedaarde, mijmerende en voortbordurende Chinese beschaving. Ricci had dit door en vond dat hij met grote omzichtigheid moest handelen. Wou het Christendom ingang vinden, dan moest het zo on-vreemd mogelijk gemaakt worden voor de Chinezen. Welnu, dat deed hij, en precies daarvoor haalde hij, uiteindelijk, zich en zijn volgelingen de ongenadige toorn van het Vaticaan op de hals. In een later hoofdstuk zal ik meer aandacht aan dit punt geven. Als voorlopig oordeel kun je stellen: in het acculturatieprobleem waar Ricci zich voor geplaatst zag, koos hij voor vèrgaande aanpassing en langdurig geduld, eerder te ver dan niet ver genoeg.

Ricci stierf in 1610. De kerk had toen zo'n 2000 leden, waaronder met name notabelen en geleerden. Hun positie was sterk afhankelijk van het keizerlijk welbehagen, en af en toe braken er korte maar hevige vervolgingen uit, zoals in 1616 en 1622. Toch leidde de kerk een bloeiend bestaan, en drie van de meest vooraanstaande bekeerlingen gingen naar de streek waar ze vandaan kwamen om kerken te stichten. Zij waren: Paul Hsü Shanghai, Michael Yang naar Chekiang, en Leo Li naar Hangchow.

Naar de inhoudsopgave

1.3.2.  Voortzetting: Schall von Bell en Ferdinand Verbiest

Ricci's opvolger was Johann Adam Schall von Bell, die in 1622 in Peking aankwam. Hij voorspelde twee verduisteringen die aan de aandacht van de Chinese astronomen ontsnapt waren, en mede daardoor kwam hij in de Kalenderraad, waar hij later zelfs voorzitter van werd. Een hoge eer. De tijdsregeling was een keizerlijke zaak, en particulieren waren helemaal niet bevoegd zich daarmee bezig te houden. Dat Schall nu aan de tijdsbepaling mocht deelnemen, was een geweldige erkenning.

Het aantal gedoopten steeg snel, en men zegt dat ook een van 's keizers vrouwen bij dat aantal behoorde.

In 1664 werd een oude aanklacht nieuw leven ingeblazen dat de zendelingen de weg aan het bereiden waren voor een Portugese bezetting van China. Schall werd opgepakt en ter dood veroordeeld op de leeftijd van 73. Maar hij werd weer vrijgelaten, maar vijf Chinese vrienden van hem kregen wel het doodvonnis toegediend. Alle priesters in China, 38 in getal, werden verzameld in Macao om het land uitgezet te worden. Slechts vier Jezuïeten konden in Peking blijven.

In 1667 sloot een vriendelijk gezinde keizer, K'ang-Hsi, toen nog maar 14 jaar oud, vriendschap met Schall's opvolger, Ferdinand Verbiest. Ze deelden dezelfde sterrekundige en wetenschappelijke belangstelling. In 1692 vaardigde de keizer een Edict van Toleratie uit, waarin staat:

De Europeanen zijn erg rustig. Ze verstoren de orde in de provincies niet en doen niemand kwaad, ze begaan geen misdaden, en hun leer heeft niets gemeen met die van de valse sekten in het rijk, en ook heeft die geen neiging om in opstand te raken. Derhalve besluiten we dat alle tempels die gewijd zijn aan de Heer des Hemels, waar ze ook maar worden aangetroffen, bewaard moeten worden, en dat het allen die deze God willen vereren toegestaan wordt deze tempels binnen te gaan, hem wierook te offeren, en de plechtigheden uit te voeren die volgens oude gewoonte door de Christenen beoefend worden. Dus, laat niemand hen nog in de weg staan.

Zo was de weg geplaveid voor meer Jezuïeten, Franciscanen en Dominicanen.

In 1633 werd Lô Wen Tsao bekeerd tot het Christendom, en in 1674 werd hij benoemd tot titulair bisschop van Basilinopolis in Bythinië en Vicaris Apostolair voor Noord-China. Wegens onderhuidse spanningen met Rome kon de wijding pas in 1684 plaatsvinden. Deze Fray Gregorio López was de eerste Chinese bisschop. Hij diende zes jaar, tot zijn dood in 1691. Pas in de 20ste eeuw was er weer een Chinese bisschop.

Men kende hem als een nederig en competent man. Hij was er een voorstander van dat Chinese Christenen niet hun oude gebruiken overboord gooiden, een mening waar veel zendelingen weinig goeds in zagen.

Naar de inhoudsopgave

1.3.3.  Conflicten met Rome

Laten we eens kijken welke reacties de werkwijze van de Jezuïeten bij het thuisfront opriepen. Nieuwkomers op het veld waren vaak geschokt wanneer ze nog zoveel halfheidendom bij de bekeerlingen ontwaarden. Ze vonden dat de Jezuïeten het hart van het Christendom verkocht hadden om maar in een goed blaadje bij de geleerden en aanzienlijken te komen.

Omgekeerd bezagen de Jezuïeten deze nieuwkomers met argwaan. Hun roekeloze veronachtzamen van de gevoelens van de Chinezen zouden wel eens rampzalig kunnen zijn voor hun eigen werk, het werk van mensen die er al veel langer werkten met meer begrip voor de moeilijkheden.

De verschillen spitsten zich toe op drie zaken: de begrafenisrituelen, het eerbewijs aan het voorgeslacht, de term die als naam van God dienst mocht doen. We zullen in een ander hoofdstuk hier uitgebreid bij stil staan.

In 1656 had Rome besloten, in nogal vage bewoordingen, dat eerbewijs aan Confucius en voorouders burgerlijk en niet religieus van karakter was, en dan ook toegestaan kon worden. De Jezuïeten vatten dit op als erkenning voor hun eigen standpunt.

In 1693 trok vicaris Charles Maigrot aan de bel bij Rome. De Jezuïeten kwamen met een uiteenzetting van keizer K'ang-Hsi zelf, waarin hij betoogde dat de eerbewijzen aan de voorouders een uiting van liefde en herdenking waren voor de goede daden tijdens hun leven, en dat offers aan de hemel gebracht niet voor de zichtbare hemel waren maar voor de Opperste Heer, de schepper en onderhouder van hemel en aarde.

Rome was niet overtuigd en de Jezuïeten verloren. Een man werd gestuurd om orde op zaken te stellen, Charles Maillard, in 1701, die het gezag van Rome strak belichaamde, daar in China. En nu komt een onthullend detail, een illustratie van de Chinese warsheid van buitenlands gezag in China, dat nog steeds volop actueel is:

De keizer, die steeds de aanwezigheid van `zijn' Jezuïeten op prijs had gesteld, was zeer verstoord toen hij hoorde dat dezen verantwoording verschuldigd waren aan een verre soeverein, de Paus, van wie hij nog nooit gehoord had, en dat deze soeverein deed alsof hij op gelijke hoogte stond met de keizer van China. De keizer zond Tournon terug naar Macao. Rome haalde de teugels echter al meer aan, en de keizer reageerde op de situatie met een decreet: slechts die zendelingen mochten in China blijven die de regels als neergelegd door Ricci onderschreven. Zij zouden een keizerlijk document, een p'iao, krijgen die hun recht op de behandeling zou geven als in het Edict van Toleratie in 1692. Alle anderen zouden het land uitgezet worden.

Veel zendelingen vroegen aan, veel werden uitgezet. De Jezuïeten lobbyden voor een verzachting van Rome's besluiten, kregen die in de vorm van 8 toestemmingen, maar in 1742 vaardigde paus Benedictis XIV de bul Ex Quo Singulari uit:

we bepalen en verklaren dat deze toestemmingen als nooit bestaan hebbend beschouwd moeten worden, we veroordelen en verachten hun uitoefening als bijgelovig. Gezien het feit dat de onderhavige bul eeuwig van kracht blijft, herroepen we hierbij, en we annuleren en ontkrachten elk en een ieder van deze toestemmingen en we willen gevrijwaard blijven van al hun kracht en effect; we zeggen en kondigen aan dat ze beschouwd moeten worden als voor eeuwig geannuleerd, leeg, minderwaardig en zonder kracht of macht.

Naar de inhoudsopgave

1.3.4.  De nadagen

Van toen af kwamen er golven van vervolgingen. In 1724 besloot de nieuwe keizer Yung-chêng dat de Jezuïeten die in Peking waren, mochten blijven, omdat ze nuttig waren voor het hof, maar alle zendelingen in de provincies moesten bijeengebracht en naar Macao gedeporteerd worden. De Jezuïeten konden zich tot eind 18e eeuw handhaven, en ook sommige zendelingen in het binnenland ontkwamen aan het net. Er waren niet genoeg Chinese geestelijken om de fakkel over te nemen, en het werd een aflopende zaak.

In 1773 hief paus Clemens XIV de wereldwijde orde van de Jezuïeten op. De klachten waren: arrogantie, ongeëigende zendingsmethoden, politieke bemoeienissen, opgetaste rijkdommen uit commerciële speculatie. Het genootschap werd ontbonden, de goederen onteigend, en de paus verklaarde dat geen toekomstige paus de orde weer in het aanzijn mocht roepen. 3.000 zendelingen keerden terug van hun veld. Sommigen bleven op hun post, zonder de naam Jezuïet, maar de meesten hadden geen keus: ze werden op het schip naar hun thuisland gezet. De vacatures konden niet zomaar vervuld worden.

Naar de inhoudsopgave

Terug naar het begin van sectie Jezuïeten (1600-1800)

Naar de inhoudsopgave

1.4.  Protestanten (1800-1900)

China was, vanuit Christelijk oogpunt, weer terug bij af. Het Christelijk geloof, in zijn Rooms-Katholieke vorm, was uitgebraakt. Het was in deze tijd verboden om aan vreemdelingen Chinees te leren. Slechts in dat kleine hoekje, Macao, en in een stukje land in Kanton, kon de vreemdeling verblijven.

1.4.1.  De pioniers

1.4.1.1.  Robert Morrison

Hij was een Northumberlander, geboren in een godsdienstig gezin, ervoer bekering toen hij 15 of 16 was, en sloot zich aan bij de Presbyteriaanse kerk. Via zijn studiezin en lectuur en belangstelling werd zijn aandacht op de zending gericht. In 1804 bood hij zijn diensten aan de London Missionary Society aan. Al in London begon hij met het leren van Chinees, aan de hand van een manuscript in het British Museum.

De Engelse East India Company was zendelingen niet welgezind, en zodoende moest hij via de Verenigde Staten en met een Amerikaans schip naar China reizen.

Hij kwam in 1807 in Kanton aan. Hij moest een tijd vrijwel als onderduiker leven. Hij leerde Chinees met behulp van twee Chinese Rooms-Katholieke Christenen en in 1809 was hij al vloeiend genoeg in 't Chinees om een baan als vertaler voor diezelfde East India Company te krijgen! Dat gaf hem betrekkelijke veiligheid en een inkomen om van te leven. In zijn kleine hoekje kon hij het uithouden, en hij had de gewoonte veel te studeren. Zijn hele leven was eraan gewijd zijn kennis van taal en cultuur uit te breiden en het voor Christelijke doelen te gebruiken. In 1813 had hij het Nieuwe Testament in het Chinees vertaald, in 1819 het Oude. Hij stelde een groot woordenboek van de Chinese taal samen.

Het achterland was nagenoeg ontoegankelijk voor dragers van het evangelie, maar er leefden veel Chinezen buiten China. Daartoe richtte hij in 1818 het Engels-Chinese college op, bestemd voor studenten van oost en west.

Hij was meer een studiehoofd dan een mensenvisser, zou je kunnen zeggen. Maar je moet bedenken dat in het toenmalige China het vrijwel onmogelijk was veel contact met de bevolking te hebben, en in zijn literaire werk heeft hij grondleggend werk gedaan.

1.4.1.2.  William Burns

Hij was een Presbyteriaanse revival prediker voor hij in 1847 in China aankwam. Hij was toen begin dertig. Hij produceerde een Chinese vertaling van Bunyan's Pilgrim's Progress die goed ontvangen werd. Hij kon niet wennen aan het routine werk op het zendingscentrum en maakte steeds uitstapjes in het binnenland, soms alleen, soms met wie ook maar het erop wou wagen. Zo toonde hij aan dat het niet onmogelijk was om in het binnenland door te dringen. Een van zijn metgezellen was Hudson Taylor, die we zometeen zullen ontmoeten.

1.4.1.3.  Karl F.A. Gützlaff

Hij was een zendeling van het Nederlands Zendingsgenootschap van 1826-1828. Hij maakte een plan voor de snelle beëvangelisatie van China met behulp van Chinese medewerkers, en wist daarvoor grote zendingsorganisaties te interesseren: de Rhenische en Basel genootschappen. In 1850 had hij tientallen Chinese helpers, die met rapporten uit elke provincie van China terugkwamen. Terwijl Gützlaff eens in Duitsland was, ontdekte een collega dat hij getild werd: de helpers waren voor het grootste deel opiumverslaafden uit Hong Kong, die het geld erdoor joegen. Met ongebroken enthousiasme probeerde Gützlaff het werk te reorganiseren, maar in 1851 stierf hij, zonder dat iets van zijn nieuwe plannen gerealiseerd was.

Naar de inhoudsopgave

1.4.2.  Hudson Taylor en de China Inland Mission (1860-1900)

We komen nu bij een markant man die van unieke betekenis is geweest voor het uitdragen van het evangelie in China. Zijn eigenzinnigheid was een instrument om een groot werk te verrichten, maar hij was niet eigenzinnig om de eigenzinnigheid. Zijn motieven gingen daar ver boven uit, en dat verklaart misschien waarom zijn werk niet ten onder is gegaan.

In 1854 kwam hij in China aan, 21 jaar oud, in dienst van de Chinese Evangelization Society, een organisatie die niet bekwaam was hem te ondersteunen. Zeven jaar bleef hij in China. Hij leerde Chinees, maakte lange reizen in het gezelschap van William Burns die we al eerder ontmoet hebben, en trouwde. Hij voelde zich geleid zijn lidmaatschap van de CES op te zeggen en op God alleen te vertrouwen voor alles. Hij trok Chinese kleren aan als voor de hand liggende methode van vereenzelviging met het Chinese volk. Al deze handelingen riepen verzet, soms bijna fanatiek verzet op van collega's. Aan het eind van de zeven jaar was hij ziek, en zo keerde hij naar Engeland terug, in 1860, zonder uitzicht om ooit weer in China terug te komen.

Maar in 1865 keerde hij terug, onbekend, zonder hulp van enig kerkgenootschap. Maar hij ondernam de oprichting van de China Inland Mission, die snel zou uitgroeien tot de grootste missie ter wereld.

1.4.2.1.  Principes van de China Inland Mission

Interkerkelijk

Elke overtuigde Christen, van welk kerkgenootschap dan ook, kan zendeling worden, na ondertekening van een eenvoudige leerstellige verklaring. De theologie van CIM was niet vrijzinnig, maar evangelical, wij zouden zeggen, orthodox.

Geen academische vereisten

Ook voor hen zonder veel opleiding waren er open deuren. Terwijl overal de zendingsarbeid professioneler werd, konden hier mensen terecht die zich niet intellectueel hadden kunnen bewijzen. Sommigen van hen hebben zich later ontpopt als notabele sinologen.

Thuisbasis China

De directievoering zou in China zijn. De directeur zou volledige leidingsbevoegdheid hebben. Gevaarlijk, dat wel, maar bij zulk een onderneming is snelle besluitvorming en flexibele directie nu eenmaal onontbeerlijk, en niemand anders kan dat doen dan iemand ter plekke.

Chinese kleding

Zendelingen moesten zich zoveel mogelijk vereenzelvigen met het Chinese volk, en dus ook Chinese kleding dragen.

Evangelisatie

Grootschalige evangelisatie is het eerste doel. Ook het beherderen van kerken en opzetten van onderwijs mocht aangevat worden, maar niet in zulk een mate dat het grote en allesbeheersende doel zou ondersneeuwen. Ik denk dat Hudson Taylor zijn Ricci wel kende.

1.4.2.2.  Resultaten

Per 1882 waren alle Chinese provincies bezocht, en woonden er zendelingen in op drie na alle provincies. Er waren 641 zendelingen afkomstig uit vele landen.

De meeste bekeerlingen kwamen uit de lagere klassen, net als de zendelingen zelf, hoewel er ook uitzonderingen waren, bijvoorbeeld de Confuciaanse geleerde Pastor Hsi. Hij was aan de opium verslaafd, maar kon door zijn Christelijk geloof van zijn verslaving afkomen. Daarna heeft hij zich beijverd voor de oprichting van Christelijke afkickcentra. Hij werkte in samenwerking met de CIM, maar met bijna onbeperkte persoonlijke onafhankelijkheid.

De CIM had overtuigend aangetoond dat ook voor westerlingen er leven in geheel China mogelijk was. Vele Christelijke organisaties volgden, zoals de YMCA.

Hoewel de CIM controversieel was door zijn methoden, en de verwijten van oppervlakkigheid naar zich toegeslingerd kreeg, hebben ze toch heel wat los gemaakt, bij vriend en vijand door de beweeglijkheid, eenvoud en toewijding van zijn zendelingen.

Naar de inhoudsopgave

Terug naar het begin van sectie Protestanten (1800-1900)

Naar de inhoudsopgave

1.5.  Oorlogen en opstanden (1830-1860)

Een kleine onderbreking van de zendingsgeschiedenis. Was tot nu toe zending vooral een zaak tussen de Christenen uit het westen en hun kerken aan de ene kant, en de Chinezen en hun regering aan de andere kant, in deze periode zal dat beeld er een ernstige complicatie bij krijgen: de expanderende westerse mogelijkheden.

1.5.1.  De Brits-Chinese opium oorlog (1839-1844)

1.5.1.1.  Oorzaak en aard van de oorlog

Engeland wilde graag de mogelijkheid hebben om met en in China handel te drijven, maar de wederzijdse opvattingen over wet en orde verschilden nogal. De toenemende handelsdruk van Engeland riep toenemende irritaties op. De uiteindelijke aanleiding was het Chinese besluit de opium import in China te verbieden, terwijl de Engelsen daar juist belang bij hadden. Het kwam tot een zeeoorlog. De Britten veroverden enige kustplaatsen, met name Hong Kong en Chusan.

1.5.1.2.  De verdragen van 1842-1844

Het resultaat was het verdrag van Nanking, 1842, in 1843 aangevuld. In het kielzog sloten de Amerikanen en Fransen soortgelijke verdragen, 1844. Deze verdragen behelsden:

Toegankelijke havensteden

Hong Kong werd overgedragen aan Groot-Brittannië, en vijf havensteden werden opengesteld als handels- en verblijfplaats voor buitenlanders, te weten: Kanton, Amoy, Foochow, Ningpo en Shanghai.

Extraterritorialiteit

Buitenlanders zouden onder hun eigen wetten berecht worden door hun eigen ambtenaren.

Taalstudie

Buitenlanders mochten Chinees gaan leren.

Gelijkheid

Privileges aan één van de verdragspartners verstrekt, zouden ook aan de andere verstrekt worden.

De perken te buiten

Buitenlanders die buiten de havensteden aangetroffen werden zouden gearresteerd worden en naar de dichtstbijzijnde consul gebracht worden.

Godsdienst (alleen in Frans en Amerikaans verdrag)

Buitenlanders mochten huizen, ziekenhuizen, scholen en kerken bouwen in de open havensteden.

De Fransen waren er extra op gebrand om iets voor de zending, speciaal de Rooms-Katholieke, in de wacht te slepen. De Franse diplomaat Lagrené wilde een verdraagzaamheidsclausule laten opnemen, maar dat lukte niet. Maar via de Chinese zaakgelastigde Ch'i Ying verkreeg hij twee keizerlijke edicten die het Rooms-Katholicisme een iets betere positie in China gaven dan voorheen. Men zegt dat Ch'i Ying Lagrené verzekerd heeft dat als de zendelingen zich verstandig zouden gedragen, de ambtenaren in de binnenlanden een oogje zouden toeknijpen als ze daar gesignaleerd werden.

Hiermee werd de situatie voor zendelingen weliswaar beter, maar lang niet optimaal. De Chinezen waren begrijpelijkerwijs nogal al sloom met het uitvoeren van deze verdragen.

Naar de inhoudsopgave

1.5.2.  De Brits-Frans-Chinese oorlog (1856-1860)

1.5.2.1.  Oorzaak en aard van de oorlog

De verdragen van 1842-1846 lieten voor alle partijen veel te wensen over, en nieuwe spanningen bouwden zich op. In Europa was er de industriële revolutie, als gevolg waarvan in de hele wereld, en dus ook in China, de handel geweldig toenam. Buitenlandse kooplieden wilden toegang tot meer havensteden, maar de Chinezen werden al trager in het nakomen van de vroegere verdragen. Nog steeds werd het diplomatieke verkeer gehandicapt door de Chinese officiële voorstelling van zaken dat alle buitenlanders ervoor waren om aan de keizer schatting af te dragen.

Naast de Engelsen stonden ook de Fransen, Amerikanen en Russen te dringen om concessies in de wacht te slepen, maar de laatste twee partijen wachtten zich wel voor een conflict. De Engelsen hadden echter veel grotere belangen, vanwege hun grotere handel, en de Fransen wilden hun prestige verhogen, en hun loyaliteit aan de Rooms-Katholieke kerk bewijzen.

In de woelingen van die tijden konden Engeland en Frankrijk makkelijk een aanleiding tot oorlog vinden: een incident met de Britse vlag op een Chinees schip, en een gerechtelijke dwaling die tot de dood leidde van de Franse priester Auguste Chapeleine.

In 1857 werd Kanton ingenomen en in 1858 stonden de Engelsen en Fransen vlak bij Peking, en dreigden die in te nemen, tenzij de verdragen bijgesteld werden.

Aldus geschiedde.

1.5.2.2.  De verdragen van 1858

De belangrijkste consequenties van de resulterende verdragen waren

Nieuwe open havensteden

Newchwang, Chefoo, T'aisan, Tamsui (op Formosa), Swatow, Kiungchow, Nanking (daadwerkelijk pas ná de T'ai P'ing opstand, zie later), en drie steden aan de Yangtze rivier: Hankow, Kiukiang en Chinkiang.

Reizen buiten de havensteden toegestaan

Westerse diplomaten mochten in Peking verblijven

Herstelbetalingen, in 1860 nog verhoogd

Een deel hiervan kwam ten goede aan zendingsgenootschappen en zendelingen.

Toleratie

De Christelijke godsdienst mocht vrij beoefend worden, niet alleen door zendelingen, maar ook door hun bekeerlingen.

1.5.2.3.  Moeizame ratificatie

De Chinezen wrongen zich in bochten om de voor hun scherpe kantjes er af te slijpen. De Amerikanen en Russen waren tevreden met de aldus verkregen herzieningen, maar de Fransen en Engelsen lieten het achterste van hun tong zien. Hun vloot voer op naar voor Peking, maar werd door de fortificaties van Taku verdreven. In 1860 hernieuwden ze hun aanval, vochten zich naar de hoofdstad, namen die in, en sloopten het Zomerpaleis in Peking.

In 1860 sloten de Fransen een verdrag met China, waarin verdraagzaamheid ten opzichte van het Christelijk geloof geregeld was. Volgens de Franse tekst mochten Franse zendelingen in alle provincies land kopen en naar believen bebouwen. Maar de Chinezen hebben de geldigheid van die clausule nooit erkend, en dit geval zorgde voor eindeloze irritaties in vele volgende jaren.

1.5.2.4.  Gevolgen voor de zending

Nu lag China inderdaad wettelijk open voor zendelingen. Hoewel de verdragen alleen het reizen in het binnenland expliciet toestonden en niet het verblijven, ze verboden het ook niet. Vaak slaagden zendelingen er in ook elders dan in de open steden zich een basis te verschaffen. Zometeen zal Hudson Taylor met zijn China Inland Mission aan de orde komen, die precies op deze situatie ingesprongen is, met formidabel succes.

Britse en Amerikaanse ambtenaren waren er niet op gebrand dat zendelingen hun rechten tegenover de Chinezen autoriteiten tot het uiterste claimden, ze hadden het al moeilijk genoeg de normale gevallen te behartigen.

De zendelingen hadden recht op wettelijke bescherming van hun bekeerlingen. Ze kwamen vaak tussenbeide in rechtszaken, en het werd een gezegde: als je maar een zendeling achter je hebt Er ontstonden rijkjes in het rijk.

1.5.2.5.  Zending en politiek

Je kunt je ook afvragen hoe deze afgedwongen privileges de geloofwaardigheid van Jezus' leer zoals gebracht door de zendelingen, beïnvloedde. In de Chinese literatuur kom je schampere opmerkingen tegen in de trant van: het is merkwaardig dat westerlingen met rugdekking van kanonneerboten aan de Chinezen, die in wezen pacifisten zijn, komen vertellen dat Jezus gezegd heeft dat je iemand de andere wang moet toekeren als hij je slaat.

Engeland ontving veel kritiek vanwege de aanleiding van de eerste oorlog: het veiligstellen van de opiumhandel, speciaal van Amerikaanse zijde. Maar niemand scheen de Engelsen het recht te ontzeggen de toegang naar China open te houden, zelfs met geweld.

1.5.2.6.  De waarneming van Vincent Lebbe

Jezus zei dat het makkelijker is voor een kameel om door het oog van de naald te gaan dan voor een rijk man om het koninkrijk van God binnen te gaan, en hijzelf moest door Gethsemane heen. De rijke mensen in het Westen vereren Jezus, en het zijn de armen die door Gethsemane gaan

Lusin

De Belgische Lazarist Vincent Lebbe kwam in 1902 in China. Hij kwam er snel achter dat er iets ernstig mis was met het feit dat zendelingen beschermd moesten worden. Hoe kun je mensen winnen tegen wie je beschermd moet worden? De enige methode is vereenzelviging met degenen die je bereiken wilt. Lebbe zag hoe buitenlands de Chinese kerk was, en dat om iets te worden, de kerk Chinees moest worden. Later liet Lebbe zich tot Chinees burger naturaliseren.

Naar de inhoudsopgave

1.5.3.  De T'ai P'ing opstand (1852-1864)

In het midden van de 19e eeuw gebeurde er in China iets dat moet lijken op de nachtmerries van de Chinese machthebbers: revolutie in de provincies. Een verzwakt, corrupt en decadent keizerlijk bestuur, een handig organisator, en een religieus fanaat, plus een bevolking waar het kookt: burgeroorlog. Wat wil het geval: de religie in kwestie vertoont trekken van het Christendom. We hebben het over de T'ai P'ing opstand, de opstand der grote vrede. Het is een uiterst merkwaardig fenomeen, en ik zal het verhaal wat uitgebreider navertellen.

1.5.3.1.  De toestand in China

De Mantsjoe keizerlijke familie was haar aanzien en overwicht aan het verliezen. Westerse mogendheden drongen voor de deur, en bezorgden de Chinezen vernedering op vernedering. Het was een tijd van slechte oogsten. De provincie Kwangsi, waar de revolutie broedde, was ver van Peking, bergachtig, en toonde zich bijna nooit geheel en al onderworpen aan het centrale gezag.

1.5.3.2.  De hoofdrolspelers

Hung Hsiu-Ch'üan was iemand van eenvoudige komaf, maar in China kun je daar wat aan doen door je examens te halen, waarna je toegelaten kunt worden tot een staatsambt. Het lukte hem echter niet de gewenste examenresultaten te halen. Maar zodoende kwam hij in Kanton eens Liang Fah, de eerste gewijde Chinese pastor van de Protestantse zending, tegen, die hem enige Christelijke traktaten ter inzage gaf, waar hij echter weinig belangstelling voor toonde. In 1837 na nog een mislukte poging, werd hij ernstig ziek. Tijdens zijn ziekte kreeg hij visioenen waarin hij meegenomen werd naar stralende plaatsen, schoongewassen werd, en nieuwe organen kreeg. Ook kwam hij in zijn dromen in een zaal met een eerbiedwaardige man met gouden baard op de hoogste zetel, die verklaarde dat hij alles had gemaakt, maar dat niemand hem daarvoor erkentelijk was. Hij gaf Hung een zwaard om er demonen mee uit te drijven en beloofde hem bijstand. Ook ontmoette hij vaak een man van middelbare leeftijd die hem hielp demonen uit te drijven.

In 1843 zag een familielid, Li, de Christelijke boeken liggen, en raakte erin geïnteresseerd. Hij las eruit voor aan Hung, die tot zijn verbazing merkte dat hij hierin een volledige bevestiging en uitleg van zijn dromen kreeg. Hung en Li doopten elkaar en Hung begon zijn boodschap uit te dragen. Hij doopte enige intieme vrienden en bekeerde zijn ouders en broers en hun familie van hun dienst aan de geesten.

Een van die vrienden was Fêng Yün-shan. Samen gingen ze erop uit, weg van huis en haard, al prekend, in de provincie Kwangsi.

In 1847 kwam hij in aanraking met Issachar Roberts, van de Amerikaanse Baptisten. Deze nodigde hem uit om met hem de Christelijke leer nader te bestuderen, een uitnodiging die werd aangenomen. Door een misverstand werd hij niet door Roberts gedoopt.

Hij ging voor twee jaar de provincie in, en toen hij weer terugkwam, bleek dat zijn vriend Fêng had doorgepreekt en dat er een genootschap van vereerders van Shang-Ti uit ontstaan was. Shang-Ti is de oude Chinese godsnaam die door sommige Protestantse zendelingen was gebruikt voor God. Bekeerlingen werden gedoopt, na belijdenis van zonde. Ze beloofden geen boze geesten te dienen en de hemelse geboden te onderhouden. Er waren erediensten met gebed, gezangen en een toespraak.

Nu is het niet ongewoon dat er sekten ontstaan in China, dat gebeurde aan de lopende band. Zulke sekten maken hun eigen mix van geloofsartikelen, en het bijzondere hier is nu, dat in die mix veel Christelijke elementen voorkwamen.

Ook in 1847 werd Fêng gevangen genomen vanwege aanzet tot revolutie, maar hij kwam snel weer vrij.

1.5.3.3.  Kristallisatie

Er was nog een achtergrondspeler: Chu Chiu-tao. Ook hij was niet erg succesvol met zijn examens. Hij trok zich terug alsof hij een monnik was, om een revolutie te plannen en militaire organisatie en strategie te bestuderen. Waarschijnlijk dacht hij wel zaken te kunnen doen met Hung en Fêng. Ook schijnt het dat Fêng al in een vroeg stadium gepland had dat de nieuwe beweging ook een politieke lading moest krijgen. Hung werd aangehouden als leverancier van religieuze openbaring.

De overheid begon zich ermee te bemoeien, maar door onbekwaamheid slaagden ze er niet in de beweging uit te roeien. De rebellen namen Yungan in Kwangsi in, en begonnen de organisatie voor een nieuwe dynastie op te zetten, waaraan ze de naam T'ai P'ing gaven, Grote Vrede, met Hung als koning. Er moet een hele machtsstrijd hebben gewoed tussen de drie, Hung, Fêng en Chu. Chu kwam in handen van de autoriteiten, en rondom Hung kwamen de meer fanatieke elementen naar voren.

1.5.3.4.  Het woeden van de opstand

In 1852 gingen de rebellen eropuit, zo'n 12.000 man sterk, en namen steden in, en hun aanhang groeide, en ze ontvingen veel versterking. Fêng stierf, maar Hung begon zich keizerlijke waardigheid aan te meten. De grootste stad die ze veroverden was Nanking, in 1853. Vandaar uit ondernamen ze een veroveringstocht naar Peking, maar die mislukte, Meer dan tien jaar beheersten de rebellen Nanking en veel van de beneden Yangtze vallei.

1.5.3.5.  Het falen van de opstand

De Mantsjoes waren zwak, maar er was nog heel wat kracht en organisatie intact gebleven. De rebellen waren niet constructief, en uiteindelijk konden ze hun overwinningen niet blijvend maken. Ze bleven steken op hun versterkte posities, vanwaaruit ze beeldenstormen in het omringende land ondernamen.

Het geloof van de rebellen maakte hen meteen ongeliefd bij de massa en bij de geleerden, zonder welke China niet effectief bestuurd kon worden.

In 1864 werd Nanking terugveroverd, en vlak daarvoor pleegde Hung zelfmoord. Gewapende benden bleven nog lang last geven in het land, maar dat werd geleidelijk onderdrukt.

De balans: grote en bevolkingsrijke delen van het rijk verwoest; miljoenen levens verloren. Het was de grootste opstand in de 19e eeuw in China.

1.5.3.6.  De houding van de buitenstaanders

Bij sommige Protestantse zendelingen leefde aanvankelijk de hoop dat deze rebellie China kon openen voor het evangelie. Sommige ambtenaren en handelaars bleven neutraal. Als ze gewild hadden, hadden de rebellen waarschijnlijk wel buitenlandse steun kunnen krijgen. Maar net als de regering, waren ook de rebellen zich slecht van de buitenwereld bewust, en ze waren niet toeschietelijker tegenover vreemdelingen. Ook werd duidelijk dat ze grote waarde hechtten aan de openbaringen aan Hung.

De westerse regeringen hadden in 1861 vrede met Peking gesloten, en waren geneigd de Mantsjoes te steunen.

1.5.3.7.  Verhouding tussen T'ai P'ing en Christendom

De rebellen geloofden in een hoogste God en Jezus als zijn zoon. Hung was de jongere broer van Jezus, en Hung beweerde dat Jezus en hij uit dezelfde moeder geboren waren. Door zijn openbaringen had Hung recht op een zeker gezag over alle volkeren. Ook zendelingen moesten hem als zodanig erkennen. Er waren nog andere profeten.

De rebellen lazen de bijbel en eerden die en publiceerden er commentaren op. Ze legden nadruk op de Tien Geboden en een gewijzigde versie van het Onze Vader. Ze praktiseerden de doop, maar geen avondmaal. Ze waren fel tegen afgodsbeelden en vernietigden ze waar ze maar konden. Ze schrapten de zogenaamde gelukkige en ongelukkige dagen van de kalender, verboden offers aan voorouders, en veranderden de begrafenisrituelen of schaften die af.

Hoewel ze wreed waren tegen hun vijanden en veel van de veroverde steden plunderden, droegen ze toch een duidelijke morele code uit. Geen opium, geen losse relaties met vrouwen, de gewone soldaat moest monogaam zijn, maar de leiders waren concubines toegestaan, een praktijk die vanuit het Oude Testament en vanuit oude Chinese gebruiken gerechtvaardigd werd. De zaterdag was een strikte rustdag.

Ongehoorzaamheid aan deze morele code voerde naar de hel, berouw en gehoorzaamheid waren de weg ten hemel.

Er waren drie erediensten per sabbat, en die hadden een Protestants karakter: votum, gezang, schriftlezing, geloofsbelijdenis, gebed, preek, wetslezing, gezang, knalvuurwerk, wierook.

Hoe moeten we dit nu waarderen? We weten weinig over de binnenkant van het geloofsleven onder de rebellen. Uiterlijk is er veel goeds, en ook de afrekening met afgoderij en de ethische code zijn wis en zeker meer dan uiterlijkheden, zeker in China, waar het dwars ingaat tegen het levensgevoel van de Chinees van hoog tot laag.

Toch ontbreken er enkele smaakmakende trekken van het Christendom. Hier valt het me op, dat ik wel begrijp wat mijn bronnen bedoelen: de persoon en het karkater van Jezus, zijn voorbeeld, de verlossing uit onze schuld, de waarde van de ontvangen vergeving en de noodzaak om anderen te vergeven. Maar mijn bronnen zijn een beetje aarzelend om dit expliciet te zeggen. Ik heb een vaag gevoel dat hier verlegenheid een woordje meespreekt: hoe kan zoveel Christelijks zo erg uit de hand zijn gelopen? Ofwel, laten we vooral niet de indruk verder wekken dat de rebellen met enig recht Christelijk genoemd mogen worden.

1.5.3.8.  Effect op de zending

De Protestanten hadden niet veel te lijden onder en na de opstand, omdat ze toen nog nauwelijks in het binnenland waren doorgedrongen.

De Rooms-Katholieken hadden er zwaar van te lijden. Er waren al Katholieke gemeenschappen verspreid over het land. Net aan het bijkomen van de vervolgingen in de vorige en begin huidige eeuw, werden ze nu vaak door rebellen èn regering als vijanden gezien. Immers, de uiterlijkheden van het Rooms-Katholicisme zijn nogal verschillend van de Protestantsachtige rebellen, speciaal op heikele punten zoals heiligenverering, beelden en relikwieën.

In 1853 waren volgens berichten de meeste van de 600 Katholieken in Nanking, Yangchow en Chinkiang gedood, vermist of gevangen.

De slechte reputatie van de rebellen sloeg over op het Christendom, en dat bleef nog wel een halve eeuw te merken.

Naar de inhoudsopgave

Terug naar het begin van sectie Oorlogen en opstanden (1830-1860)

Naar de inhoudsopgave

1.6.  Stuiptrekkingen van het keizerrijk (1900-1914)

1.6.1.  China tegen 1900

We komen nu bij een gevoelig thema: de westerse wereldlijke macht en zijn Christelijke zendingsijver gaan in deze tijd hand in hand in China. Het is een gevaarlijke mix, en weer is het een opstand waarin het gevaar werkelijkheid wordt, de Boxer opstand van 1900.

De Protestanten hadden ongeveer 1500 zendelingen in het land, vrouwen inbegrepen, verspreid over 500 posten, met ongeveer 500.000 aanhangers. Voor de Rooms-Katholieken hadden 1375 priesters en 720.000 aanhangers. De zendelingen werden beschouwd als de speerpunten van de westerse binnendringing, en hun activiteiten riepen onvermijdelijk de bezorgdheid op van de conservatieve lagen van de bevolking, en dat waren brede lagen.

China had te maken met toenemende druk van Duitsland en Japan, er was al Chinees grondgebied bezet. China was bezig te veranderen onder de acupunctuur van de westerse invloed, maar tegenover Chinese hervormingsbewegingen stonden de gewelddadige gevoelens van vreemdelingenhaat. De krachten voor een explosie bouwden zich op.

Naar de inhoudsopgave

1.6.2.  De Boxer troebelen

De keizersweduwe stelde zich aan het hoofd van de reactionaire krachten, en gaf openlijke steun aan de I Ho Ch'üan, de Rechtschapen Harmonie Vuisten, door de Europeanen de Boxerbeweging genoemd.

Op 24 juni 1900 kwam er een keizerlijk decreet: alle vreemdelingen dood! De buitenlandse ambassades in Peking werden 55 dagen lang belegerd. Het land lag in chaos.

In augustus vochten de Japanners en andere machten zich naar Peking, ontzetten de ambassades, en aan het eind van het jaar lag China machteloos aan hun voeten. Een moeilijk verteerbare vrede werd China afgedwongen.

1.6.2.1.  De verliezen

188 Protestantse buitenlanders, 47 Rooms-Katholieke buitenlanders. Meer dan 20.000 Chinese Christenen, vooral onder de Rooms-Katholieken, waaronder ongeveer 100 priesters. Veel zendelingen ontsnapten naar de kust en leden aanzienlijke ontberingen. Veel Chinese Christenen bleven standvastig en stierven voor of met hun buitenlandse vrienden.

1.6.2.2.  Herstelbetalingen

De overwinnaars vorderden herstelbetalingen van China voor verloren eigendom en leven. Ook de zendelingen en hun genootschappen konden hiervan profiteren.

Hudson Taylor besloot dat niets daarvan opgeëist of aangenomen mocht worden door de CIM, hoewel ze meer dan enig ander genootschap onder de troebelen geleden had. Hij wilde de Chinezen de zachtmoedigheid en barmhartigheid van Christus laten zien. Weinig zendingsgenootschappen volgden Taylor's voorbeeld in dezen.

1.6.2.3.  Tien vette jaren (1900-1910)

Volgend op de Boxer troebelen kwam er een uitzonderlijke openheid naar het Christendom toe. Veel jonge Chinezen vroegen zich af hoe het nu verder moest met China. Velen vonden dat het Westen weliswaar goede ideeën had, maar dat het uiteindelijk alleen het evangelie was dat deze ideeën ook kon doen aanslaan in China. Hierbij valt op dat de leidende vraag niet was: Hoe word ik zalig? maar: Hoe kan China opnieuw gaan leven? Veel van de nieuwe Christenen waren op school of op college gedoopt, maar kenden geen alledaags kerkelijk leven, zeker niet met mensen die niet zoals zij opgeleid waren. Ook waren ze zich niet bewust van de betekenis van de eredienst in het Christelijke leven.

In 1912 waren er 1.430.000 Rooms-Katholieken, met 2.255 priesters, waarvan 834 Chinees, maar er was nog steeds geen Chinese bisschop. In die tijd waren er zo'n 5000 Protestantse zendelingen in China, vrouwen inbegrepen.

Naar de inhoudsopgave

Terug naar het begin van sectie Stuiptrekkingen van het keizerrijk (1900-1914)

Naar de inhoudsopgave

1.7.  Postimperiaal (1914-)

1.7.1.  De republiek (1914-1937)

In 1914 brak revolutie uit, de keizer werd van de troon gestoten, en China werd een republiek. De voorlopige president, Sun Yat-sen, stond bekend als een Christen. Hij schreef het succes van de revolutie met name aan het Christendom toe: Samen met zijn idealen van religieuze vrijheid, brengt het Christendom kennis mee van westerse politieke vrijheid, en daarmee gepaard plant het overal een leer van universele liefde en vrede in. Deze idealen spreken de Chinezen aan, deze idealen veroorzaakten hoofdzakelijk de revolutie en zorgden voor het vreedzame karakter ervan, aldus Sun Yat-sen.

Toch waren de Christenen maar een minieme minderheid, nog geen 1 procent van de bevolking. Maar ze waren een goed opgeleide elite, die toen en daar wisten wat ze wilden, en zodoende een onevenredig grote invloed in China uitoefenden.

In 1927 ontstond de Kerk van Christus in China als gevolg van het samengaan van talloze kerk- en zendingsgenootschappen, echter zonder de Lutheranen en Anglicanen.

Het begon er slecht uit te zien in China. De revolutionairen hadden het oude regime wel gebroken, maar konden ternauwernood de regering van China constructief ter hand nemen. China viel ten prooi aan elkaar bestrijdende krijgsheren, en de vreemdeligenhaat begon overal weer toe te nemen. Meer dan de helft van het missionaire potentieel was in 1927 al uit het binnenland weggetrokken.

De opkomst van de Kuomintang van Chiang Kai Shek, die in 1930 zich als Christen verklaarde en gedoopt werd, zorgde voor tijdelijke verlichting. Nog steeds waren er mensen in China die meer heil zagen in de Christelijke weg dan in de kille logica van het marxisme, die in die dagen bezig waren China in een houdgreep te krijgen.

Naar de inhoudsopgave

1.7.2.  De Chinees-Japanse oorlog (1937-1945)

Japan viel China binnen in 1937 en heeft land en bevolking op buitengewoon wrede wijze geteisterd tot 1945. De Christenen leden in gelijke mate met de rest van de bevolking. Maar er openden zich ook gelegenheden: Christelijke vluchtelingenopvang. Christelijke scholen trokken zich terug naar het verre westen en begonnen een nieuw bestaan aldaar. Na de overheersing waren de Christenen actief bezig met de wederopbouw.

Naar de inhoudsopgave

1.7.3.  De Volksrepubliek (1949-heden)

Op 1 oktober 1949 werd de Democratische Volksrepubliek China uitgeroepen in Peking. Chiang Kai Shek en zijn nationalistische aanhang vluchtte naar Taiwan. Veel Chinese Christenen waren optimistisch over de communistische overwinning, maar de zendelingen maakten zich geen illusies. Toch bleven ze op hun post, verbonden als ze waren met China, om er het beste van te maken. Snel bleek, dat er bijzonder weinig was dat ze konden doen. Ze vormden een gevaar voor hun Chinese vrienden. In 1951 werden de laatste zendelingen het land uitgezet. De Rooms-Katholieken hadden het zwaarder te verduren dan de Protestanten vanwege hun verbondenheid aan het Vaticaan.

Al het sociale werk en onderwijswerk werd de kerk uit handen genomen. Het gewone kerkewerk werd niet onmogelijk gemaakt, en er bleven vier theologische scholen bestaan, maar alle contacten met de buitenwereld werden afgesneden.

In 1958 stond de staat de vorming van een Constitutionele Katholieke kerk toe, Rooms, maar zonder formele banden met Rome. 45 bisschoppen werden verkozen en gewijd.

In1964 verbood de staat om aan mensen onder de 18 godsdienstonderwijs te geven.

Vanaf 1966 begon de culturele revolutie te woeden. Kerken en moskeeën werden door jeugdige vandalen onder staatsbescherming verwoest. Elke vorm van Christelijk leven, inclusief de eerder door de staat toegestane Katholieke kerk, moest ondergronds gaan.

Deze grimmige situatie ging pas over in 1976, na de dood van Voorzitter Mao.

Toch is juist in deze Culturele Revolutie de Chinese kerk geboren.

Naar de inhoudsopgave

Terug naar het begin van sectie Postimperiaal (1914-)

Naar de inhoudsopgave

1.8.  Specifieke thema's

1.8.1.  Bijbelvertaling

1.8.1.1.  Johannes van Monte Corvino (1305)

Het is de tijd van Marco Polo, en de keizer van China is de Mongool Kublai Khan. Johannes claimde het Nieuwe Testament en de Psalmen te hebben vertaald in de Ongut taal. Ik weet niet welke dat is, maar ik denk dat het een Mongoolse taal is.

1.8.1.2.  De Rooms-Katholieken

Van Katholieke zijde is er heel wat vertaald, met name na 1650. De Imitatio Christi, Loyola's Oefeningen, Summa Theologiae maar het kwam niet tot een complete bijbelvertaling. Wel de evangeliën, zowel in het Mantsjoe als in het Chinees. Vóór 1813 moet er wel een door Rooms-Katholieken gemaakte vertaling van het Nieuwe Testament geweest zijn, want Robert Morrison leerde Chinees met behulp van die vertaling.

1.8.1.3.  De Protestanten

De Protestanten kwamen China binnen en werkten daar terwijl ze binnen hun denominaties bleven. Er was niet zoveel samenwerking, maar ook niet veel conflict, omdat ze het allemaal eens waren over de reden van hun aanwezigheid in China. Op één punt werd het belang van gezamenlijk optrekken terdege gevoeld, en dat was bijbelvertaling.

De naam voor God ligt heel gevoelig voor China. Het was belangrijk om daar een goed woord voor te vinden. Het zou zich toespitsen op een keuze tussen T'ien (hemel), Shang Ti (heer des hemels) en Shen. Het probleem met Chinese godsnamen is, dat ze, op z'n zachtst, maar matig verwijzen naar een persoonlijk God, en veel meer de bijklank hebben van een onpersoonlijke macht. In de loop van de geschiedenis werden T'ien en Shang Ti voor de Chinezen zulke ingesleten termen, dat je niet meer op hun oorspronkelijke klank kunt afgaan. Bijvoorbeeld wordt er van T'ien gezegd dat hij intelligent en gerechtigheidslievend was, en begaan met 's mensen welzijn. Aan T'ien ontleende de keizer zijn gezag, T'ien bepaalde de levensduur van een mens. Maar men probeerde hem nooit in menselijke gedaante voor te stellen, er was geen notie van liefde voor hem, of van een mystieke band met hem. Er was eerbied, maar geen persoonlijke devotie.

Wat betreft vertalingen in locale talen, was er minder noodzaak tot uniformiteit.

1.8.1.4.  Joshua Marshman (1811-1823)

Marshman behoorde tot een groep zendelingen die met William Carey zendingsposten aan het stichten waren in India en de bijbel in verschillende talen van het subcontinent gingen vertalen. Op een gegeven moment wilde Marshman Chinees gaan leren, en vroeg assistentie van Lassar, een Armeniër(!), geboren in Macao, die daar Chinees had leren spreken. Lassar was in 1806 in Calcutta gekomen en was daar in dienst bij Claudius Buchanan om het Nieuwe Testament in het Chinees te vertalen. Marshman mocht op Buchanan's kosten met Lassar Chinees studeren. Ook werd hij geholpen door een Rooms-Katholieke zendeling die in Peking had gewoond. Op deze manier werd onder leiding van Marshman het Nieuwe Testament in 1811 voltooid, en het Oude in 1823. Doordat de vertaling buiten China gemaakt was, zonder hulp van Chinese geleerden, was het resultaat niet erg verfijnd. Maar het was een goede opstap voor later werk.

1.8.1.5.  Robert Morrison (1813-1819)

Had inzage in de Rooms-Katholieke vertaling van het Nieuwe Testament, voltooide zijn eigen in 1813, en het Oude Testament in 1819. De British and Foreign Bible Society hielp hem zijn werk uit te geven.

1.8.1.6.  Josiah Goddard (1850)

Amerikaans Baptist, hielp mee een kerk te planten in Ningpo, en vertaalde het Nieuwe Testament en delen van het Oude in het plaatselijke dialect.

1.8.1.7.  Het Brits-Amerikaanse bijbelvertaalproject (1843-1853)

In 1843 maakten de Amerikaanse en Britse genootschappen een plan om gezamenlijk tot een bijbelvertaling te komen. In elk van de zes open steden zouden de zendelingen ter plekke welomschreven delen van het project uitvoeren, en het de anderen ter correctie opsturen.

Het lukte niet erg. Sommige locale commissies schoten niet op. De Baptisten wilden een woord voor doop waarbij je onderdompeling niet kon uitsluiten. De oplossing voor dit probleem was als volgt: er zou een uniforme versie geproduceerd worden waar het woord voor doop blanco gelaten werd, en iedere publicerende groep mocht dat woord zelf invullen. En dat zonder computers!

Ook over de godsnaam ontstond onenigheid. Er werden veel brochures en pamfletten aan gewijd, de Engelsen waren overwegend voor Shang-Ti, de Amerikanen voor Shen. De eerste versies van het Nieuwe Testament losten het probleem op door het woord voor God en Geest onvertaald te laten, en πνευμα dus. Later gebruikten edities gepubliceerd door de American Bible Society Shen, en de edities gepubliceerd door de British and Foreign Bible Society Shang-Ti.

Tijdens het project voor het Oude Testament ontstond er onenigheid over de vertaalprincipes, en gingen de wegen uiteen. Medhurst, Stronach en Milne voltooiden een vertaling in 1853. Bridgman en Culbertson volgden een relatief eenvoudige stijl en mikten op precisie meer dan op leesgemak. Zij waren klaar in 1862, en maakten er ook een vertaling van het Nieuwe Testament bij.

De vertaling van 1853 viel bij de mandarijn in de smaak, maar literaire elegantie won het vaak van precisie en voor het grote publiek was ze te klassiek.

1.8.1.8.  De Noordelijke Baptisten (1853)

Goddard, Lord en Dean verzorgden op de suggestie van het genootschap van Noordelijke Baptisten, een herziening van Marshman's vertaling.

1.8.1.9.  Het Mandarijn

In China is er een literaire taal, het Mandarijn, de toegang tot de klassieken, een extreem gepolijst instrument voor het overbrengen van gedachten, dat echter weinig meer met de gesproken talen in China gemeen heeft. De geleerden, of mandarijnen, die deze taal gebruiken en bewaken, stellen zulke hoge kwaliteitseisen aan werken die in het mandarijn geschreven zijn, dat alleen het puikje van geleerdheid waarover de zendelingen konden beschikken, goed genoeg was om een bijbelvertaling in het Mandarijn te vervaardigen. Anders zou men het resultaat als barbaars terzijde leggen.

Toch is het Mandarijn wel degelijk een belangrijke taal om de bijbel in vertaald te hebben, want het is de lingua franca van China, zoals het Latijn in Europa het eeuwenlang was. Bovendien konden ideeën zich in China goed verspreiden per boek, omdat in China de boekdrukkunst al lang in zwang was. Meer over de eigenaardigheden van het literaire Mandarijn komt in een ander hoofdstuk.

Ook moet het Wênli genoemd worden. Dit is een aangelengd Mandarijn, dat net niet verachtelijk is voor de geleerden, en toch verstaanbaar door sprekers van dialecten die tegen het Mandarijn aanleunen. Het komt in twee versies voor, het Hoog Wênli, en het Gemakkelijk Wênli.

1.8.1.9.1.  Porties in het Mandarijn door particulieren (1850-1897)

Nieuwe Testament, Medhurst en Stronach, 1857 (beviel niet).

Handelingen, Charles W. Gaillard, 1860.

Mattheüs, Markus, Ho Chin-shan, herzien door James Legge, 1860.

Markus en Handelingen, John L. Nevius, 1862.

Nieuwe Testament, T.H. Hudson, 1850-1866.

Brieven van Johannes, F.S. Turner, 1870.

Evangelie naar Johannes, Hobson en Muirhead, 1874.

Colossenzen, Muirhead, 1875.

Psalm 1-40, John MacGowan, 1875.

Hebreeën, Samuel Dodd, 1875.

Nieuwe Testament, Chalmers en Schaut, 1897.

1.8.1.9.2.  De hele bijbel in het Mandarijn (1860-1875)

In 1860 werd er een commissie gevormd met daarin Burdon, Blodget, Martin en Schereschewsky, een vertegenwoordiging van de grotere zendingsgenootschappen van Peking. In 1872 hadden ze, samen met Chinezen, een vertaling van het Nieuwe Testament in het Mandarijn af. Deze vertaling kwam duchtig in zwang. Het Oude Testament in het Mandarijn kwam voornamelijk uit de handen van Schereschewsky, in 1875.

1.8.1.9.3.  Schereschewsky (1859-1906)

Hij was een Litouwer met een strikt Joodse opvoeding, bewoog zich geleidelijk richting Christendom, en werd, vanuit Amerika, zendeling in China voor de Protestant Episcopelian Church in 1859. Zijn beheersing van het Chinees was uitzonderlijk. Hij leverde veel werk aan een bijbelvertaling in het Mandarijn van 1875, die goed aansloeg.

Als bisschop richtte hij in 1877 het St. John's College in Shanghai op.

In 1881 werd hij geveld door een zonnesteek en raakte hij gedeeltelijk verlamd. Hij gaf zijn bisschopswerk op en gaf zich helemaal aan het bijbelvertaalwerk. Hij reviseerde zijn vertaling van de hele bijbel in het literaire mandarijn. Hij vertaalde de bijbel ook nog in het Gemakkelijk Wênli, in 1902. Toen hij stierf in 1906 in Japan, was hij bezig met de Apocriefen.

1.8.1.9.4.  Mandarijnvertalingen op last van genootschappen (1875-1900)

John Griffith maakte, op verzoek van de British and Foreign Bible Society en van de National Bible Society of Scotland een mandarijnvertaling van het Nieuwe Testament, en begon met het Oude.

John Griffith vertaalde het Nieuwe Testament ook in het Gemakkelijk Wênli. Hij deed dit in 1883-1886, terwijl Blodget er ook een afkreeg in 1889.

1.8.1.9.5.  Kwaliteit

Geen van deze versies was geheel bevredigend, en dat zou er ook niet inzitten totdat er Chinezen zouden komen die gepokt en gemazeld in de grondtalen en hun eigen taal, zich er over zouden buigen.

1.8.1.10.  De spreektalen

1.8.1.10.1.  Alfabetisering

Ten zuiden van de Yangtze zijn er nogal wat dialecten, en hierin begonnen ook steeds meer porties uit de bijbel te verschijnen. Soms werd daarvoor het latijnse schrift gebruikt, hoewel de Chinese geleerden daarop neerkeken. Feit is dat de ongeletterde Chinezen zich dit schrift veel makkelijker eigen maakten. Bovendien kwamen er in de dialecten woorden voor waarvoor geen Chinese karakters waren. Voor sommige van deze dialecten waren deze schriftgedeelten het eerste geschreven en gedrukte materiaal erin.

1.8.1.10.2.  Porties van de bijbel in de spreektalen (1850-1897)

Nieuwe Testament, in de Amoy spreektaal, vóór 1856.

Nieuwe Testament, in de Foochow omgangstaal, 1867, met een editie in het Swatow dialect, door leden van de Amerikaanse Baptistische en Engelse Presbyteriaanse zendingsgenootschappen.

Delen van het Nieuwe Testament, in de Kantonese spreektaal, 1881, later ook een deel van het Oude Testament hierin.

Nieuwe Testament, in Hakka spreektaal, latijns en Chinees schrift, door leden van de Basel Zending, 1883.

Oude Testament, in de Amoy spreektaal, 1884.

Evangeliën en Handelingen, in Wênchow omgangstaal, latijns schrift, door Soothill, gedrukt in 1893.

Evangelie van Johannes, in Kinwha spreektaal.

Delen van het Nieuwe Testament, in Hangchow spreektaal.

Hele bijbel in de Soochow, Hinghwa, Taichow spreektalen.

Delen van de bijbel in het Shawao dialect.

Delen van het Nieuwe Testament in een van de dialecten van Hainan.

Het Nieuwe Testament en een deel van het Oude in de Kienning spreektaal.

Mattheüs, Markus in de Kienyang spreektaal.

1.8.1.11.  De naam voor God

Nog steeds was de naam voor God een probleem. De Rooms-Katholieken gebruikten T'ien Chu, terwijl de Protestanten Shang-Ti of Sheng gebruikten. Ter vergroting van de verwarring gebruikten Schereschewsky en de zijnen ook T'ien Chu in hun gezaghebbende mandarijnvertaling. Toen in 1875 Burdon bisschop werd van Hong Kong stond hij er op dat T'ien Chu gebruikt zou worden. Dit zinde de Chinese Christenen in het geheel niet, en ze brachten de kwestie voor de aartsbisschop van Canterbury (de `paus' van de Anglicaanse kerk). Die deed een hoop moeite, maar kon de zaak niet oplossen.

De zaak raakte uiteindelijk op de achtergrond, en de zendelingen agreed to disagree.

1.8.1.12.  Bijbelvertaling na 1900

In 1900 kwam er een gereviseerde Gemakkelijk-Wênlivertaling af, die pas in 1908 werd gepubliceerd.

In 1906 kwam er een vertaling in het Hoog Wênli af, die pas in 1919 werd gepubliceerd.

In 1920 kwam een gereviseerde mandarijnvertaling gereed, welke een monopoliepositie zou krijgen.

1.8.1.12.1.  Doorgaand werk in de spreektalen

Genesis en Exodus, in Kienning spreektaal, 1900.

Mattheüs, Kienyang, 1900.

De hele bijbel, in Ningpo dialect, 1901.

Oude Testament in Amoy, herzien, 1902.

De vier evangeliën, in Samkiong dialect, 1904.

Nieuwe Testament en Psalmen( net), Pentateuch (klad), in Taichow, 1904.

Hele bijbel, in Shanghai spreektaal, 1908.

Hele bijbel, in Soochow dialect, 1908.

Hele bijbel, in Hinghwa dialect, 1912.

Hele bijbel, in Taichow dialect, 1914.

1.8.1.12.2.  Niet-Chinese talen

Nieuwe Testament voor de Hua, in een schrift ontwikkeld door Pollard.

Nieuwe Testament, herzien, in Tibetaans, 1903.

Mattheüs Buriat, 1909

Delen van het Nieuwe Testament, in Chungkai, Laka, Lisu, Kopu, en na 1914, West Lisu, Chuan Miao, Nosu.

1.8.1.12.3.  Belangstelling

De grote bijbelgenootschappen (British and Foreign, American, Scotch) merkten dat hun uitgaven gretig aftrek vonden, vooral bij studenten. Hier is wat ze verkochten (aantallen boeken):

2.519.758 in 1905

4.769.554 in 1911

6.014.857 in 1914

Hiervan bestond minder dan 10% uit volledige Nieuwe Testamenten, en nog veel minder waren volledige bijbels.

Naar de inhoudsopgave

1.8.2.  Culturele adaptatie en zelfstandigheid

1.8.2.1.  Drie-Zelf

Met de Drie-Zelfkerken worden in China de Christelijke kerken aangeduid die door de staat officieel zijn toegestaan. De naam verwijst naar de Drie-Zelf formule, en betekent: zelfbesturend, zelfonderhoudend, zelfuitbreidend. Het is geen Chinese vinding, hoewel de term zelf wel degelijk Chinees aandoet. In het midden van de 19e eeuw introduceerden de Engelse Anglicaanse Henry Venn en de Amerikaanse Congregationalist Anderson dit concept en bijbehorend gedachtengoed in de zendingswereld.

Henry Venn zei het zo: wanneer een zending een kerk heeft voortgebracht, mag de zending in dat gebied zachtjes sterven, waarbij het aan de nieuwe kerk overgelaten wordt om onder de leiding van de Heilige Geest al zijn functies te vervullen.

Latere ervaring heeft duidelijk gemaakt dat zulk een scherpe scheiding tussen zending en kerk niet mogelijk is, en zelfs rampzalig kan zijn.

1.8.2.2.  Protestant, 1850-1900

De openlijke bedoeling van de meeste zendelingen en hun genootschappen was: zovelen als mogelijk bij Christus brengen èn kerken doen ontstaan die self-supporting zijn en zichzelf kunnen uitbreiden.

Wat er gebeurde was, dat er enige concessies gedaan werd aan Chinese gebruiken, maar dat in hoofdzaak toch de denominaties van de zendende landen overgekopieerd werden naar China: Anglicanisme, Congregationalisme, Methodisme, Presbyteranisme, om er maar een paar te noemen.

1.8.2.2.1.  Financiële steun

Sommige grote zendingsorganisaties betaalden in principe geen Chinese evangelisten, omdat vanaf het eerste begin de jonge kerken self-supporting moesten zijn. Anderen waren nogal scheutig met geld, en moedigden onbewust de Chinezen aan afhankelijk van hen te worden. De meerderheid zocht een tussenweg, door Chinese werkers te betalen en gemeenten te steunen en dan geleidelijk de steun te min